Profit

"Profit" in Dutch

profijt

(benefit)

winst

(benefit)

baat hebben

(To benefit, gain)

baten

(To benefit, be of use to)

een slaatje slaan

(To take advantage of, exploit, use)

helpen

(To benefit, be of use to)

profiteren

(To benefit, gain)

profiteren

(To take advantage of, exploit, use)

uitbuiten

(To take advantage of, exploit, use)

voordeel hebben

(To benefit, gain)

Data sourced from Wiktionary, WordNet, CMU, and other open linguistic databases. Updated March 2026.