Abide

"Abide" in Dutch

afwachten

(wait in expectation)

doorstaan

(endure without yielding)

ondergaan

(endure without yielding)

toelaten

(bear patiently; tolerate)

tolereren

(bear patiently; tolerate)

uithouden

(endure without yielding)

verblijven

(dwell)

verdragen

(endure without yielding)

verdragen

(bear patiently; tolerate)

wonen

(dwell)

Data sourced from Wiktionary, WordNet, CMU, and other open linguistic databases. Updated March 2026.